Negen dagen onderweg in een schitterend bergmassief, waarvan vijf zonder pad. Een route die door een Peruaanse berggids onmogelijk wordt geacht. Nauwelijks een mens gezien. Verslag van de prachtigste trekking die we ooit liepen. We verontschuldigen ons op voorhand voor de hoeveelheid superlatieven in dit bericht.
Wat voorafging
In België leken onze opties in de Cordillera Vilcanota beperkt tot de normale Ausangate-trekking. In de Inka-pub in Huaraz stootte Steven in een boekje op een kaart waarop ook een andere route stond ingetekend. Die liep dwars door het hart van de Vilcanota met een pas op bijna 5400 meter. Meer uitleg ontbrak. In Cusco kochten we de meest recente topografische kaart van het gebied (daterend van 1964…). Die voorspelde niet veel goeds betreffende de alternatieve route. Delen ervan zouden over gletsjer lopen. Maar ook de gletsjerstanden op de kaart dateerden uiteraard van 1964. We gaven niet op en zochten contact met een Peruaanse berggids die vaak door het massief trekt. Hij boorde onze hoop helemaal de grond in. Ook volgens hem was de route die we wilden lopen nog deels overgletsjerd en dus onmogelijk. We deden toch nog maar wat opzoekingswerk op het internet door de naam van een meertje halverwege de route te googleën. Dat leverde drie hits op: twee vermeldingen in een lijst van Peruaanse meren en één in een Duits trekkingboekje. In ”Peru für Trekker und Bergsteiger”, geschreven door Oskar E. Busch in 1996, bleek een beschrijving te staan van onze “droomroute”. Op Googlebooks konden we een deel van de beschrijving lezen. De auteur beschrijft de “Korridor durch die Vilcanota” als moeilijk, maar fantastisch voor ervaren trekkers. Eén en al enthousiasme maakte zich meester van ons. We rondden onze beperkte voorbereiding af met het bestuderen van vage luchtfoto’s op Google Earth. Het plan: in vijf dagen de “Korridor” afwerken en dan in vijf dagen via de normale Ausangate-trek terugkeren naar Tinqui.
Zondag 12 september
Rond 7 uur ‘s morgens kruipen we op de Siwar-bus naar Tinqui. We krijgen meteen spektakel. Bij een poging om de kuip van een kruiwagen vast te maken op het dak van de bus, valt het ding er langs de andere kant weer af. De kuip boort zich door de voorruit van een taxi die naast de bus staat. Wat volgt is een hilarische discussie tussen de taxi- en de buschauffeur. De taxichauffeur is uiteraard razend kwaad voor de verbrijzelde voorruit. De buschauffeur vindt dat hij eigenlijk niets heeft misdaan. De taxi had daar maar niet moeten staan. Een financiële regeling en wat vertraging later kunnen we dan toch richting het vertrekpunt van onze trek. Dat onderweg de motorkap van de bus wordt opengezet voor wat extra koeling (waardoor het zicht van onze chauffeur gehalveerd wordt) verbaast ons al lang niet meer. Een kleine drie uur later staan we in Tinqui, een dorpje dat zo in een Amerikaanse roadmovie kan. We versieren er zonder moeite een taxi die ons nog een vijftiental kilometer verder naar Mallma brengt. Onderweg wordt er even getankt. Niet een pomp, maar een openstaand vat benzine, een emmer en een trechter zijn daarvoor nodig…
Tijd voor het echte werk. Langs Pallcapampa en Cochasiqui klimmen we ons een weg naar het azuurblauwe Laguna Singrenococha. Onderweg maken de Vilcanota-honden hun reputatie meteen waar: er zijn nogal wat gebaren en stenen nodig om de vervaarlijk blaffende beesten af te houden. Tot onze grote verbazing komen we ook twee toeristen tegen. Het blijken Duitsers die de route die wij willen lopen net in omgekeerde richting hebben afgewerkt. Makkelijk was het niet, maar schitterend des te meer. De ontmoeting geeft ons zelfvertrouwen een stevige boost. Op een richel aan de zuidkant van Singrenococha vinden we een eerste prachtige kampplekje.
‘s Avonds duiken maar liefst drie problemen op die onze plannen wel eens in de war zouden kunnen sturen. Het grootste probleem: Hanne is vergeten onze voorraad Micropur, een zuiveringsmiddel voor water, aan te vullen. We kunnen in de loop van de komende dagen slechts 16 liter water zuiveren. Daarbij blijkt ook de filter van de benzinepomp van onze brander losgekomen te zijn en de rits van onze tent te haperen…
Praktisch:
- De bussen van Cusco naar Tinqui vertrekken allemaal aan het Coliseo Cerrado, een plek die alle taxichauffeurs kennen. Wij kozen voor de maatschappij Siwar omdat die het regelmatigst vertrekken en ook goedkoop zijn ( 7 soles per persoon).
- Taxi Tinqui – Mallma: 15 soles
- Pas op voor de honden in de afgelegen delen van de Cordillera Vilcanota. Ze zijn geen mensen gewoon en reageren soms buitengewoon agressief wanneer je voorbijkomt. Stenen werpen of doen alsof is de enige doeltreffende afschrikmethode. Wij zijn blij dat we gevaccineerd zijn tegen rabiës… We raden ten stelligste aan dit in België te laten doen. In het buitenland is deze vaccinatie vaak ofwel onmogelijk ofwel onbetaalbaar.
Maandag 13 september
We ontbijten op onze richel met een adembenemend zicht op het meer onder ons. Wat later beginnen we langs de rivier die in het meer uitkomt aan onze zoektocht naar de Vilcanota-doorgang. We kruipen over ontelbare moreneruggetjes en passeren heel wat, allemaal anderskleurige, meertjes. Dit is een stukje van het paradijs. Geen pad, alleen wij en een fantastisch desolaat landschap. We krijgen er ook nog eens een halo bovenop, een zeldzaam natuurverschijnsel dat eruitziet als een cirkelvormige regenboog rond de zon. Na Laguna Uchuypuca Faucet staan we voor de eerste grote hindernis van deze tocht: een verticale, zowat 200 meter hoge morenerug. Dankzij een tip van de Duitsers op dag één weten we dat we aan de rechterkant van de muur steenmannen kunnen vinden. Die markeren een mogelijke route omhoog. Zonder veel moeite vinden we het cairnspoor. Eens de muur is overwonnen komen we terecht in een nog grotere morenechaos. Cairns blijven de weg wijzen. Rond ons storten prachtige ijsvallen zich naar beneden en duiken viscachas onder de rotsen wanneer we voorbijkomen. Aan Laguna Huarurumicocha besluiten we dat het welletjes is voor vandaag. Aan de noordkant van het meer vinden we een plekje dat net groot genoeg is voor onze tent.
Praktisch:
- Net als gisteren is er vandaag geen pad. Tot Laguna Uchuypuca Faucet ben je helemaal op jezelf aangewezen wat betreft oriëntatie. Vanaf dat laatste meer zoek je best naar cairns die je door de morenes loodsen. Op een bepaald moment lopen twee cairnsporen uit elkaar. Je volgt hier best het rechterspoor dat je aan de rechterkant van de schijnbaar onmogelijke morenemuur omhoogloodst.
- Het hoogteverschil tussen Laguna Singrenococha en de kampplek van de dag aan Laguna Huarurumicocha bedraagt slechts ongeveer 600 meter. Door het voortdurende op- en affen door de morenechaos klim je in werkelijkheid op deze dag meer dan 1000 meter.
- Wie deze vermoeiende dag wil splitsen in twee korte dagen, vindt een mooi kampplekje in de buurt van Laguna Uchuypuca Faucet. Tussen dat meer en onze kampplek is in het droge seizoen geen water te vinden. In het regenseizoen daarentegen staan heel waarschijnlijk de mogelijke kampplekjes onder water.
- Wie een grote kampplek wil of plaats nodig heeft voor meerdere tenten vindt veel geschiktere kampplekjes aan de zuidkant van Laguna Huarurumicocha.
Dinsdag 14 september
Vandaag hoeven we niet veel verder te raken, dus beginnen we met een extraatje. We vermoeden dat we vanop de morenerug naast ons kamp wel eens een mooi uitzicht zouden kunnen hebben op de ijsvallen die vanop de Nevado Alcamarinayoc naar beneden komen. Ons klimmetje wordt inderdaad beloond met een adembenemend uitzicht niet alleen op de ijsval, maar ook op het schitterende gletsjermeer dat zich eronder heeft gevormd. We vergapen ons drie kwartier lang op de drijvende ijsblokken en het puin dat zich in het meer stort. Het zou trouwens niet het laatste meer zijn op deze trekking dat niet op de kaart staat. Door het terugtrekken van de gletsjers vormen zich in dit gebied de laatste tijd nogal wat nieuwe meren. We breken ons kamp op en zetten onze jacht op steenmannen zuidwaarts opnieuw verder. Onderweg permitteren we ons nog een extraatje: we eten ons middagmaal op op de eindmorene van de gletsjer die van de Nevado Jatunpampa komt. Alweer een schitterende ijsmuur is het decor. Dessert van het middagmaal: een ijskoude doorwading van de rivier die van onze middaggletsjer komt. Een paar niet op de kaart staande meertjes later vinden we de vier Lagunas Chuyanecocha, waar we ons hoogste kamp ooit maken: iets meer dan 5300 meter hoog. Als er zoiets als het paradijs voor trekkers bestaat, dan zou het wel eens hier kunnen zijn. De Nevado Chumpe (of Jatunriti) mag met zijn 6106 m hoge witte pracht zo onze top 5 van mooiste sneeuw- en ijsbergen van de wereld in. De immense gletsjerzee die er in ZO-richting naastligt is niet minder spectaculair. De uitzichten vanop deze bijzonder onbekende plek van het massief jagen keer op keer adrenaline door ons lijf.
‘s Avonds duikt jammergenoeg een nieuw probleem op: de steel van onze pan is onvindbaar. De oorzaak is snel gevonden. ‘s Morgens heeft Steven een schuivertje gemaakt, gelukkig zonder verwondingen, waarbij de afwas uit zijn handen vloog. Daarbij is de steel van onze pan hoogstwaarschijnlijk tussen de rotsen verdwenen. De pan van het vuur nemen zal heel wat moeilijker zijn vanaf nu…
In de verte onweert het urenlang bijzonder hevig. Prachtig om naar te kijken, maar we zijn blij dat het niet boven ons hoofd gebeurt.
Praktisch:
- Vandaag vind je zowat om het half uur een geschikte kampplek.
- Je hebt tijd zat voor deze etappe. Gebruik die om naar hartelust te pionieren in dit niemandsland.
Woensdag 15 september
Na een slechte nachtrust (niet verwonderlijk op 5300 m hoogte) volgen we weer een duidelijk spoor van cairns tot op de onbenoemde pas van deze “Korridor”. Om 09.30 uur staan we op net geen 5400 meter te genieten van een uitzicht dat waarschijnlijk slechts een paar mensen per jaar te zien krijgen. Naast ons liggen fantastische gletsjers, diep onder ons ligt het 14 kilometer lange Laguna Sibinacocha en om het geheel af te maken loopt af en toe een vicuña (de plaatstelijke steenbokken) voorbij. We beginnen aan de lange afdaling, voor de verandering door een wirwar van morenes. Hagedissen en viscachas schieten ons voorbij terwijl het landschap voortdurend van kleur wisselt. Rond een uur of één staan we voor het eerst in dagen eens niet op morenepuin maar op een grasvlakte. Nog een uurtje later vinden we een kampplekje aan het hoogste grote meer van Peru: Laguna Sibinacocha. Deze plek heeft de reputatie een microklimaat te hebben met bijzonder hevige namiddagstormen, ijskoude nachten en heldere ochtenden. Deel één van die reputatie wordt meteen waargemaakt: we krijgen ‘s namiddags een hevig onweer met pakken hagel over ons heen. We doden de tijd met het bestuderen van onze route van morgen op de kaart.
Rond een uur of vijf, na het onweer, duikt alweer een probleem op. Het daarstraks nog glasheldere water uit het meer blijkt door het onweer veranderd in een bruine, wild klotsende smurrie. Onbruikbaar om mee te koken. Plan B: verderop water gaan zoeken. Waarschijnlijk is er een half uurtje verder in een rivier wel nog helder water. Helaas wonen daar ook een paar mensen. Water gaan halen bij valavond door onbekend bergterrein, bij Peruanen en bijhorende honden die zelden een mens zien passeren, lijkt ons geen geweldig goed idee. Plan afgevoerd. Plan C dan maar: rond onze tent liggen de hagelbollen van het onweer hier en daar nog een goed centimetertje dik. We besluiten de bruikbare bolletjes te verzamelen en te smelten. Het wordt een intensief werkje dat ons na meer dan een uur zwoegen een litertje water oplevert. Samen met wat we nog hadden is dat genoeg om te koken en de nacht door te komen.
Praktisch:
- We kamperen ongeveer halverwege tussen het huisje van Cochauma en de huisjes van Murmurani, op een vlakker deel aan het meer. Dat plekje beschouwen de mensen uit de buurt als “publico”. De ruimte rond hun huizen zijn voor hen “privado”. Kampeer er onder geen beding zonder toestemming te vragen. Hun honden zullen het trouwens ook niet appreciëren…
Donderdag 16 september
Na een stevige vriesnacht veroorzaakt onze wekker even massahysterie bij de vogels rond de tent. We zijn meteen goed wakker. Sibinacocha maakt ook het laatste deel van haar reputatie waar: het is een prachtige ochtend! Terwijl we ontbijten komt een Peruaan in nauwelijks verstaanbaar Spaans een praatje met ons slaan. Onze route van vandaag loopt door “zijn” vallei, de Quebrada Huampunimayo, en daarvoor vraagt hij heel beleefd een vrijblijvende bijdrage. De man is in de wolken met de 6 soles die we hem geven. De nog niet weggedooide hagelbolletjes geven het al schitterende landschap nog iets extra op het eerste deel van onze tocht. Kuddes lama’s en alpaca’s trekken samen met ons omhoog in de richting van de Montura-pas. Waar die exact ligt, weten we niet. We hebben enkel het kruisje dat de berggids die we in Cusco om hulp vroegen op onze kaart heeft gezet. De Montura-pas is de hoogste en moeilijkste verbindingspas tussen Sibinacocha en de Ausangate-trek, maar waarschijnlijk ook de knapste. Achteraan in de Quebrada Huampunimayo is het gokken waar de pas juist ligt. Is het de kleine opening centraal op de muur die de vallei afsluit of een paar honderd meter meer naar rechts tegen de gletsjer die van de Nevado Japujapu komt af? We gokken op het eerste en klimmen eerst over verrassend moerassig terrein, vervolgens over een puinhelling naar de opening. Het blijkt niet de juiste pas. We zitten te hoog (meer dan 5400 meter) en hier de NW-helling richting Ausangate afdalen lijkt onmogelijk. Na het middageten trekken we dan maar in NO-richting over de scherpe graat richting Japujapu. Tussen ons zoekwerk naar een mogelijke afdaling door genieten we volop van de vergezichten over de hele Cordillera Vilcanota en het Laguna Sibinacocha. Hier en daar zijn vreemde, soms huizenhoge ijsblokken midden op de puinhellingen de prachtige, maar ook triestige getuigen van het terugtrekken van de gletsjers. De vele vuurrode bergflanken geven het geheel een nog buitenaardser tintje. Uiteindelijk wordt de graat te steil en rest er ons geen andere mogelijkheid dan terug een stukje de ZO-helling, van waar we komen, terug af te dalen. Gelukkig vinden we nu wel snel een mogelijke passage naar de NW-kant, vlak tegen de gletsjer. Voorzichtig zoeken we ons tegen de gletsjer af een weg naar beneden. Uiteindelijk vinden we iets dat op een pad lijkt, maar daarom niet makkelijker is door het vele losliggende puin. Het was onze bedoeling te kamperen aan het onderste van de Lagunas Osjollo Anante, maar dat feestje gaat niet door. Het meertje blijkt in de afgelopen jaren volledig dichtgeslibd. Daarom steken we de vallei over (alweer een ijskoude rivercrossing) waarna een kort klimmetje ons naar het bovenste van de twee meertjes brengt. Het bovenste Laguna Osjollo Anante blijkt wel nog een helder blauw gletsjermeertje. Er is plaats voor exact één tentje. Voor de zoveelste dag op rij hebben we een uniek plekje met een fantastisch uitzicht op het ijs dat zich rond ons naar beneden stort.
Praktisch:
- Vandaag zijn er geen cairns en geen paden om de weg te wijzen. Toch is oriëntatie niet zo moeilijk als je weet waar je naartoe moet. In de Quebrada Huampunimayo blijf je best aan de rechterkant van de vallei. Achteraan in de vallei ligt de Montura-pas (of toch een mogelijke pas
) uiterst rechts (NO), tegen de gletsjer, op de muur die de vallei afsluit. Eens je de pas over bent, blijven de vicuñasporen die je als pad kan gebruiken lang hoog tegen de linkerkant (ZW) van de vallei. De Lagunas Osjollo Anante zie je duidelijk liggen.
- Om ons uiteindelijke kampplekje te bereiken klommen wij door de droogstaande beek die van het bovenste van de twee meertjes komt. Wanneer er water in de beek staat zou dit kampplekje wel eens onbereikbaar kunnen zijn. Je moet dan immers over een steil stuk morene naar boven.
Vrijdag 17 september
Ons paradijslijk kampplekje voelt ‘s morgens bijzonder koud aan door de hevige wind. Er is wel weer geen wolkje aan de lucht en we krijgen het al snel warm terwijl we ons voor de verandering door morene en puin een weg naar de pampa zoeken. Een uurtje later is het zo ver: we staan op de Pampa Puca Puca die we afdalen tot Jampa, het dorpje (10 huizen) dat ons aanknopingspunt is met de Ausangate-trek. Even voor de duidelijkheid: de Nevado Ausangate (6372 m) is de wat afgescheiden hoogste berg van de Cordillera Vilcanota. De normale vijf- of zesdaagse trekking is een prachtig rondje rond de berg in tegenwijzerzin. Wij pikken in op de trek waar je normaalgezien al een dag of vier onderweg bent, maar lopen verder in wijzerzin. Een paar kilometer voorbij Jampa houden we na een rivercrossing een lange middagpauze en beslissen onze trek een dagje in te korten. Het weer is schitterend, te schitterend om er niet van te profiteren. ‘s Namiddags passeren we een gids met een paard dat zelfs de dagrugzakken van de twee klanten draagt. Die klanten sjokken hijgend en zwetend achter het paard aan. We zijn duidelijk weer op een “normale” trekking beland. Het zijn de eerste toeristen die we sinds de Duitsers op dag één te zien krijgen. Wat verder in Pampacancha ontmoeten we twee arrieros die het kamp voor een groepje van vier toeristen aan het opzetten zijn. We slaan een gezellig praatje en moeten nogal wat details bovenhalen om de Peruanen ervan te overtuigen dat we werkelijk de route Singrenococha – Sibinacocha gelopen hebben. We voelen toch wel enige fierheid als de arrieros ons als “muy fuerte” bestempelen. We trekken nog wat verder in de richting van het basecamp van Ausangate. Na toestemming gevraagd te hebben aan een lokale herder zetten we onze tent uiteindelijk aan de rand van een recente aardverschuiving. ‘s Avonds komt Santos, de herder in kwestie, nog eens langs voor een gezellig praatje dat eindigt met de aanbieding om morgenvroeg wat traditionele liedjes voor ons te komen spelen.
Praktisch:
- Tot Jampa is er van een pad of steenmannen weer helemaal geen sprake, buiten wat veesporen. Ook na Jampa ben je nog heel vaak aangewezen op goed oriënteren.
- In Jampa zijn waarschijnlijk twee bruggen, waarvan wij er eentje domweg misten. Wil je je nog eens natte voeten besparen, zoek dan wat beter dan wij…
Zaterdag 18 september
‘s Morgens vroeg staat Santos inderdaad in volledige traditionele klederdracht en met een soort mandoline en een mondharmonica aan onze tent. Een half uur lang entertaint hij ons met zijn muzikale repertoire. We geven hem uiteindelijk een paar soles en een zak pasta waar de man duidelijk gelukkig mee is. Langs verschillende aardverschuivingen zoeken we ons daarna een weg naar de Palomani-pas (5150 m), waar we rond een uur of elf zijn. Onderweg zijn de uitzichten op de Nevado Ausangate en de Nevado Santa Catalina Chilenita – vergeef ons de eentonigheid – adembenemend. Aan de andere kant van de pas zorgt het uitgebreide kleurenpalet van het maanlandschap dan weer voor de “wauws”. In de afdaling naar Laguna Ausangatecocha passeren we een groep van een tiental Fransen. Enkel hun Peruaanse begeleiders vinden het de moeite ons te groeten. Aan het meer genieten we van ons middagmaal en het sublieme natuurspektakel van de Ausangate-gletsjer die tot net boven het meer komt. Om aan Laguna Jatun Pucacocha, de beoogde kampplek van de dag, te komen, moeten we nog één pas over. Bovenop die pas ontmoeten we een excentrieke Brit die al drie en een half jaar aan het reizen is. Werken doet de man enkel als hij geen geld meer heeft. Na een lange babbel over koetjes en kalfjes en het uitwisselen van wat informatie dalen we in ongeveer een uurtje naar onze kampplek. Een arriero is er net de vierde tent aan het opzetten, waarschijnlijk voor een grote groep dus. Groot is onze verbazing als de man ons vertelt dat dit alles voor slechts 2 toeristen is. De twee dames doen de normale Ausangate-trek. Om hun comfort te verzekeren reizen maar liefst 5 Peruanen, 6 muilezels, 5 tenten en een pak luxeartikelen mee. Neusje van de zalm van dit alles: een soort wc-bril op poten zodat de dames comfortabel hun behoefte kunnen doen. Het is maar hoe je “trekking” interpreteert…
Praktisch:
- Voor de verandering ben je op deze dag vaak bezig met het zoeken naar het pad. Tip voor wie kan werken met GPS: zoek op wikiloc.com eens naar “Ausangate”. Je vindt twee volledige GPS-tracks. Sla deze op in je GPS. Zo heb je tenminste een idee of je wat in de goede richting zit.
Zondag 19 september
Na een heel rustige ochtend zoeken we ons langs verschillende meren een weg naar de Arapa-pas. De zichten op de verschillende Ausangate-toppen wisselen voortdurend, maar zijn allemaal even spectaculair. Een klein uurtje voor de pas verandert het landschap langzaam aan in een glooiende woestijn met net daarnaast nog steeds de machtige Ausangate. Op de Arapa-pas (4750 m) peuzelen we ons middagmaal op. Een paar bedelende, enkel Quechua-sprekende kinderen verder komen we aan in Japata, een mogelijk eindpunt voor vandaag. De kampplek blijkt echter midden tussen een paar huizen te liggen, wat het relatief grote aantal diefstallen op deze plek meteen verklaart. We besluiten nog wat verder te lopen en zetten onze tent uiteindelijk halverwege tussen Japata en Upis, wat verscholen achter een rotsblok. Steven probeert toestemming te vragen bij het enige huis dat in de buurt staat, maar er blijkt niemand thuis. Wachten kunnen we niet want er dreigt onweer. Onze tent staat nog maar net recht als we een bijzonder hevig onweer over ons krijgen. Op goed een uur tijd ligt er een laag hagel en sneeuw van zo’n 8 centimeter. We hebben ons Sibinacocha-lesje wel geleerd: Hanne had gelukkig net voor het onweer onze watervoorraad nog aangevuld.
Praktisch:
- Er bestaat nogal wat onenigheid over wat nu een goede kampplek is in de buurt van Upis en Japata. Sommige gidsen omschrijven de mensen van deze “dorpjes” als gek, anderen wijzen op het aantal diefstallen in de buurt. Ons plekje halverwege Upis en Japata leek ons behoorlijk veilig. Eens voorbij Upis ( in onze looprichting) zijn niet echt goede kampplekjes meer. Eventueel is kamperen voor Japata, hoger in de vallei dus, wel een optie.
- Voor wie zijn eigen lijfgeur niet meer kan verdragen na een paar dagen trekking: in Japata zijn warmwaterbronnen.
Maandag 20 september
We vonden deze trekking al ronduit subliem en vandaag krijgen we er nog een zoveelste kers op de taart bij. Een deel van de hagel van het onweer van gisteren is blijven liggen en zorgt voor een schitterend wit landschap. De eerste twee uur van onze walk-out naar Tinqui genieten we er volop van. We vorderen langzaam en kunnen het ons niet laten om de paar minuten te blijven staan om rond te kijken. Genieten, alweer… We krijgen spontaan zin in wintertrekking. De laatste kilometers naar Tinqui zijn naar plaatselijke normen behoorlijk dicht bebouwd. Je vindt er met andere woorden naar schatting een of twee huizen per vierkante kilometer. Hier staan ook pakken muurtjes die de verschillende stukken landbouwgrond van elkaar scheiden. Dat maakt het nogal moeilijk om de juiste koers richting Tinqui te houden. We vragen de locals regelmatig de weg. Probleem: ze lijken zowat allemaal hun eigen route richting Tinqui te hebben. Een boer die ons duidelijk niet over zijn land wil laten lopen stuurt ons dan ook nog eens een stuk de verkeerde richting uit. Uiteindelijk vinden we dan toch de hoofdweg richting Tinqui, waar we tegen de middag aankomen. Met een appel en wat frisdrank genieten we in het zonnetje na van de afgelopen 9 fantastische dagen. Een bus van Huayna Ausangate zet ons uiteindelijk rond 16 uur terug in Cusco af.
Praktisch:
- Op het eerste deel van de tocht van Upis naar Tinqui zijn er heel wat verschillende routes. Er zit niets anders op dan je eigen weg te zoeken en goed te navigeren met kompas of GPS.
- Vraag eens je tussen de huizen komt zo vaak mogelijk de weg. Alleen zo kom je uiteindelijk op de hoofdweg naar Tinqui terecht.
- Veel bussen uit Cusco rijden maar tot Ocongate, een ministadje op een paar kilometer van Tinqui. Ofwel heb je geluk zoals wij en komt er een bus van Huayna Ausangate voorbij die je voor 10 soles per persoon naar Cusco brengt, ofwel neem je eerst een taxi naar Ocongate waar heel regelmatig bussen naar Cusco vertrekken.
Besluit
Voor wie houdt van afgelegen, spectaculair en onbekend hooggebergte is bovenstaande route door de Cordillera Vilcanota een veel meer voldoening schenkend alternatief dan de normale Ausangate-trekking. Toch zijn een paar waarschuwingen nodig. Dagenlang stap je rond en boven de 5000 meter hoogte, dus acclimatisatie is een must. Goed kunnen navigeren met kaart en GPS en/of kompas is eveneens een noodzaak. Wie niet houdt van stappen op morene en puin zal zichzelf een dag of zes vervloeken. Het weer in dit massief kan bijzonder snel omslaan, net zoals in de Alpen eigenlijk. Maar voor wie geen problemen heeft met een negendaagse, behoorlijk zware hooggebergtetocht, kunnen we deze tocht niet genoeg aanraden!